Nieuwe blog

Nieuwe blog   >>>

86c. Het vierde jaar van Jehoiakim, (Jeremia 25:1-3)

8.  De antieke historici hadden niet de Hebreeuwse geschriften die hen als gids konden dienen. Ze wisten dus niet op welk moment van de wereldgeschiedenis ze leefden.

Censorinus was zo iemand die de antieke historici belichaamde als hij zegt dat “als het begin van de wereld aan de mens bekend was geweest, dan was ik daar begonnen met mijn tijdsrekening.

En Ptolemeus, de schrijver van de beroemde canon zegt dat het hopeloos was om ergens in de tijd een begin te vinden als een speld in een hooiberg.

10. Het 4de jaar van Jehoiakim en het eerste jaar van Nebukanedzar vormen een contactpunt tussen de heilige en profane geschiedenis. Vanaf dit contactpunt kan een schema van data worden afgeleid tot aan christus of terug naar Adam. Het haar van dit contactpunt zou rond 605 voor christus liggen.

Maar dan rijst de vraag: wat is de datum waarlangs dit jaar 606 voor christus is verkregen? Het antwoord is dat we het afleiden vanaf de datum van de gevangenneming van Zedekia. En de historici zijn erover uit dat David begon te regeren in 1056 voor christus. En vanaf dat punt kunnen andere data worden vastgesteld.
11. Maar dit alles i niet duidelijk genoeg. Deze tijdsbepaling die gebaseerd is op de berekening van Ptolemeus en Censorinus kan met recht te vaag worden genoemd. Dit datum niveau om het zomaar te noemen van 606 voor christus, duikt op in het midden van de datumlijn en zelfs tegen het einde ervan.

13. Op papier klopt het zo allemaal wel. Maar iemand in het werkveld zou zich er niet happy bij voelen.

14.  In de chronologie van de bijbel hebben we één beginpunt aangewezen en één vanwaar elk willekeurig afstandspunt op de lijn gemeten MOET worden en waarnaar alles terug verwezen moet worden als datum.

Dit beginpunt is de schepping van Adam en is gemarkeerd met het cijfer 0. De eenheid waarmee vervolgens gemeten wordt is 1 jaar.

15. Vanaf beginpunt Adam, werken we 130 jaar verder naar Seth. Dit is ons 2de markeerpunt vanwaar we verder gaan naar Enos. Op deze manier kunnen we de lijn voortzetten en steeds nieuwe markeerpunten vaststellen. Tot we bij de geboorte en kruisiging van Jezus komen. Omdat de schrift ons geen duidelijk jaartal geeft van de kruisiging van Jezus, moeten we vanaf de schepping van Adam rekenen.

16. Dit is het principe dat overgenomen is in de chronologie van de Companion Bible; en hierop hebben we verder alle tussenliggende stations gemarkeerd. Met dit principe zien we dat de periode die Paulus noemt van de Exodus tot de tempel 573 Anno Mundi jaren duurt; terwijl de 479 jaren van 1 Koningen 6:1 Anno Dei jaren zijn. Zo zien we dat het 4de jaar van Jehoiakim en het eerste jaar van Nebukanedzar 496 voor christus is in plaats van 606 voor christus.

(*4)  Fynus Clinton spreekt in 2 passages van de 400 jaar als een rond getal, met de gedachte dat het 400 jaar vanaf Maleachi was tot de geboorte van Johannes de Doper en de incarnatie.

Maar deze 400 jaar waarover Clinton het heeft, zijn geen rond getal maar het aantal jaren tussen de voorspelling van Maleachi “de zegel van de profeten” tot de komst van de boodschapper, Johannes de Doper en gevolgd door de komst van christus (3:1). Deze profetie van Maleachi moet vele jaren later gedateerd worden dan het herstel en de toewijding van de tempel van Zerubbabel.

Vanaf de eerste Pesach in Nisan 404 voor christus, direct na de toewijding van de tempel – tot de geboorte van Johannes in de lente van het jaar 4 voor christus was het 400 jaar (10 x 40) met de geboorte van christus 6 maanden later in hetzelfde jaar. * Noot: volgens recente gegevens was hij mogelijk geboren in 3 voor christus. Zijn bediening begon 30 jaar later, in 27 na chr. 400 jaar terug vanaf deze datum, is 374 voor christus. Dit is 30 jaar na de eerste Pesach in 404 voor chr.

86b. Het vierde jaar van Jehoiakim, (Jeremia 25:1-3)

5.  Maar de geschiedenis van de Hebreeërs kan niet op dezelfde manier worden benaderd als die van andere natiën. Hier heeft Clinton een punt. En zo is de chronologie van het uitverkoren volk ook anders dan dat van enig ander volk. Deze wordt weergegeven door lengte van duur in plaats van door data. Of zo je wilt door een systeem van het registreren van gebeurtenissen en perioden, wat een dubbele ingang noemen.

Niet alleen vinden we in de bijbel een regelmatige opeenvolging van jaren, te beginnen met Adam en eindigend met christus; en consequent een ware en perfecte boekstaving van de Anno Mundi jaren in de levenstijd van de mensheid tijdens die periode. Maar ook vinden we gelijktijdig hiermee een ander systeem van handelen met data en perioden met betrekking tot het Hebreeuwse ras alleen. Dit systeem wordt gebruikt in de Companion Bible en heet het Anno Dei rekensysteem.

6.  Clinton’s kalender van Griekse data begint met de traditionele data van de eerste Olympische Spelen in 776 voor christus. Links en rechts van die datum wordt elke datum van elke andere gebeurtenis geharmoniseerd met dit beginpunt.

Maar tegen deze rekenwijze is veel weerstand gekomen. Isaac Newton beschuldigt in zijn werk, “De chronologie van de antieke koninkrijken, verbeterd” dat de Grieken hun antieke geschiedenis 300-400 jaar ouder hebben gemaakt dan dat deze eigenlijk was.

Kort na de dood van Alexander de Grote, begonnen de Grieken de data van generaties, regeerperioden, opvolgers een paar jaar terug te zetten; en door regeerperioden en opvolgingen equivalent te maken aan generaties; en door 3 generaties gelijk te maken met 120 jaar, hebben ze hun chronologie 300 tot 400 jaar ouder gemaakt dan deze in werkelijkheid is.

En dit was het origineel van de technische chronologie van de Grieken, schreef Eratosthenes 100 jaar na de dood van Alexander de Grote gevolgd door Apollodorus.

Newton citeert de aanval op Herodotus door Plutarchus (46 voor christus) vanwege de chronologische vaagheid. Hij voegt eraan toe dat de chronologie van de Latino’s nog vager is. De oudste aantekeningen over de chronologie van de Latijnse volkeren zijn door de Galliërs verbrand, 64 jaar voor de dood van Alexander de Grote. En Quintius Fabius Pictor (3de eeuw voor chr.) die de oudste historicus was van de Lijnse volkeren, leefde 100 jaar later dan die koning.

7.  Als Newton gelijk heeft dan is het zo dat de canon van Ptolemeus waarop moderne chronologers zich baseren, een zeer wankele basis heeft. De Griekse chronologie is de basis van de Ptolemeïsche canon; en als de basis hiervan al niet klopt, dan is de super structuur die hierop gebouwd is, ook onbetrouwbaar.

Eusebius, de kerkhistoricus en de bisschop van Caesarea (264-349 na chr.) is vooral verantwoordelijk voor het moderne systeem van het dateren dat resulteert in het inkaderen van schriftuurlijke chronologie met de Griekse Olympische jaren. En het is op deze berekening van Eusebius waar Fynus Clinton zijn eigen berekening op baseert.

In zijn “Kroniek van de Universele Geschiedenis” staan in het eerste boek hiervan, dat “Chronografie” heet, schetsen van de verschillende natiën en staten van de oude wereld vanaf de schepping tot vandaag.

Het 2de boek van zijn werk bestaat uit synchronische tafels met de namen van de gelijktijdige heersers van de diverse natiën, en de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van Abraham tot zijn eigen tijd. Eusebius betrekt zijn informatie van diverse bronnen. Hij gebruikt de werken van Josephus, Africanus, Berosus, Polyhistor, Abydenus, Cephalion, Manetho en van enkele andere vergeten profane schrijvers.

Op zijn beurt is hij veel gebruikt door moderne geschiedschrijvers om de schriftuurlijke data vast te stellen; en het is vooral door zijn instrumentarium waardoor zoveel data vanaf Abraham tot Christus zijn vastgelegd.

In aanvulling op deze en andere antieke verhandelingen en systemen van chronologie, hebben we de Canon van Ptolemeus tot stand gekregen. Hij was een astronoom uit de 2de eeuw na christus die een lijst had gemaakt van Babylonische, Perzische, Griekse, Egyptische en Romeinse heersers van 750 voor chr. tot zijn eigen tijd.

De Seder Olam is een Joods chronologisch werk waarin dezelfde data staan (2de eeuw na chr.).

Wat we nu hebben is een getuige van de monumenten; waarvan opgemerkt mag worden dat hun getuigenissen vaak voorbij gaan aan de schriftuurlijke notities en chronologie van de bijbel.

Daarnaast is er nog een Assyrische canon. Deze schuift ook met de bijbelse chronologie.

Deze Assyrische Eponiem Canon is een lijst die is samengesteld van diverse imperfecte kopieën op kleitabletten (Eponyms genoemd). Deze lijst bevat 270 namen en hij wordt geacht de periode te omvatten van direct na het einde van de regeerperiode van Salomo tot aan de regeerperiode van Jozia. Deze canon wordt redelijk betrouwbaar genoemd, afgezien van enkele tegenstrijdigheden. En op basis hiervan zegt professor Sayce dat de bijbelse chronologie aangepast moet worden.

De Babylonische en Egyptische Monumentale overleveringen dragen ook bij aan het vastleggen van schriftuurlijke chronologie; maar deze zijn, zoals algemeen bekend is, meer of minder incompleet en dus minder betrouwbaar.

Ten aanzien van specifieke perioden waarover deze kronieken en overleveringen handelen, zijn ze meer of minder bruikbaar. Maar als het gat om het hele tijdsbestek vanaf de schepping tot christus, dan zijn al deze werken van buiten bijbelse schrijvers waardeloos. Namelijk, omdat ze geen gezamenlijk vertrekpunt gemeen hebben. Ze hebben, zogezegd geen gemeenschappelijke noemer.

86. Het vierde jaar van Jehoiakim, (Jeremia 25:1-3)

86. Het vierde jaar van Jehoiakim, (Jeremia 25:1-3); toevoeging aan bijlage 50, pag. 42

De enige antieke autoriteit van waarde ten aanzien van de Babylonische geschiedenis is het oude Testament.

1. De grote profetie van de 70 jaar van de Babylonische dienstbaarheid in Jeremia 25 heeft een voorwoord in de verzen 1-3; door één van de belangrijkste datum markeringen in de geschriften.

Het woord dat kwam tot Jeremiah over heel het volk van Juda in het vierde jaar van Jehoiakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnessar, koning van Babylon), [2Kon. 24:1]

2 dat Jeremiah, de profeet, sprak tot heel het volk van Juda en tot allen die verblijven in Jeruzalem, zeggend:

3 Vanaf het dertiende jaar van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, en tot aan deze dag, deze drie en twintig jaren, kwam het woord van JAHWEH tot mij en ik sprak het tot jullie, vroeg opstaand en sprekend, maar jullie luisterden niet.

De grote profetie van de 70 jaar van de Babylonische dienstbaarheid in Jeremia 25 heeft een voorwoord in de verzen 1-3, door één van de belangrijkste datum markeringen in de geschriften:

“Het woord dat kwam tot Jeremiah over heel het volk van Juda in het vierde jaar van Jehoiakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnessar, koning van Babylon), [2Kon. 24:1] dat Jeremiah, de profeet, sprak tot heel het volk van Juda en tot allen die verblijven in Jeruzalem, zeggend: Vanaf het dertiende jaar van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, en tot aan deze dag, deze drie en twintig jaren, kwam het woord van JAHWEH tot mij en ik sprak het tot jullie, vroeg opstaand en sprekend, maar jullie luisterden niet.”

Het vierde jaar van Jehoiakim is de ene keer 606 voor Christus en dan weer 496 voor christus. Een verschil van 110 jaar moeten we serieus nemen. Veel vertalers hebben vanuit de opeenvolging van de Anno Mundi jaren de 93 jaar mee gerekend in de berekening van Paulus in handelingen 13:19-22; en ook, in de meeste gevallen de gaten in de tijdsvolgorde ten aanzien van de latere koningen van Juda die samen op 110-113 jaar terechtkomen (*1); ook het jaar 480 voor christus van 1 Koningen 6:1 spelen mee als een kardinaal in plaats van een ordinaal getal; en als een Anno Mundi datum in plaats van een Anno Dei datum.

De berekening van Paulus die hij in een losse flodder tegenover de joodse toehoorders maakte en die bevestigd kan worden door de hele teneur in het boek Richteren, geeft meer dan genoeg gewicht aan die datum van het jaar 480 voor christus als een kardinaal getal en als een Anno Mundi datum.

2. Algemeen wordt aangenomen dat de periode van van de Exodus tot het begin van de Babylonische dienstbaarheid van 1491 tot 606 voor christus duurde. Dus een periode van 885 jaar; terwijl de Companion Bible data van 1491 tot 496 voor christus zijn vastgesteld = 995 jaar.

Maar als Paulus correct is met de toevoeging van 93 jaar tussen Exodus en de tempel (dan wordt de datum 573 in plaats van 479); en als de tussenregering tussen Amazia en Uzzia en de andere onderbrekingen in de heilige teksten worden mee gerekend, dan is het duidelijk dat de meerderheid van de bijbelvertalers 110 tot 113 jaar mis gerekend hebben vanaf de echte Anno Mundi tijdsberekening. In plaats van dat de Babylonische bediening in 606 voor christus begon, (het 4de jaar van Jehojakim en het eerste jaar van Nebukanedzar), is het echte Anno Mundi jaar hiervan 496 voor christus.

3. Vertalers en tijdsrekenaars zijn dikwijls als schapen die de kudde volgen en als er consensus over een bepaalde datum is bereikt, doet men weinig moeite om nog eens kritisch te zijn bij het napluizen van de bijbel.

4. Fynes Clinton schrijft hierover in zijn boek Fasti Hellenici (Vol. I, pp. 283-285) en in de introductie van zijn Chronologie van de Geschriften. Hij zegt:

“De geschiedenis die in de Hebreeuwse Geschriften wordt neergezet laat een opmerkelijk contrast zien met de vroege Griekse aantekeningen hierover. In de laatste traceren we met veel moeite een paar obscure feiten die aan ons overgeleverd zijn door de profeten wat zij weer uit de mondelinge traditie hadden opgepikt.

In de annalen van de Hebreeuwse natie hebben we authentieke verhalen die geschreven zijn door tijdgenoten maar dan onder leiding van inspiratie. Wat zij ons hebben geleverd krijgt een dubbele goedkeuring. Ze waren duidelijk onder leiding van een goddelijke inspiratie in de feiten die ze noemden en die door de mensen zonder meer als geldig bewijs zouden worden aangemerkt.

Maar als een verhaal tot ons komt met een autoriteit die geen andere schrijver bezit dan heeft zo’n verhaal een karakter in zichzelf. De geschiedenis van de Israëlieten is de geschiedenis van de wonderbaarlijke tussenkomst dan wel bemiddeling. Hun uittocht uit Egypte was wonderbaarlijk; net als hun intocht in het beloofde land. Hun voorspoed en de tegenspoed van hun tegenstanders in dat land; hun slavernij en hun bevrijdingen; hun veroveringen en hun gevangennemingen waren alle wonderbaarlijk.

Hun hele geschiedenis vanaf de roeping van Abraham tot het bouwen van de heilige tempel was een serie van wonderen. De Hebreeuwse geschiedschrijvers hebben zich zo op de wonderen gefocussed dat er weinig aandacht over bleef voor andere zaken om deze vast te leggen. De normale gebeurtenissen en transacties die de geschiedenis van de andere staten vastleggen worden erg verkort weer gegeven of zelfs helemaal weg gelaten: het incidentele noemen van deze feiten wordt altijd ondergeschikt gemaakt aan het noemen van de bovennatuurlijke manifestaties van de goddelijke macht. Om deze redenen kan de geschiedenis van de Hebreeërs niet worden behandeld als de geschiedenis van enig ander land; en hij die zou proberen om de geschiedenis van de Hebreeërs wel op te schrijven maar zonder de wonderen, zou niet voldoende materiaal hebben om hun verhaal op te tekenen.

In overeenstemming met deze geest, zijn er geen geschiedschrijvers in de periode waarin deze goddelijke interventie zich terug trok. Na de verklaring van Maleachi dat een boodschapper uitgezonden zou worden om de weg te bereiden voor de messias, is de volgende gebeurtenis die opgeschreven werd, de geboorte van Johannes de Doper. Maar van de interval van 400 jaar (*4) tussen Maleachi en de Doper is de enige portie van een hele lange serie van eeuwen vanaf de geboorte van Abraham tot het tijdperk van christus, dat net zo benaderd kan worden als de geschiedenis van de andere natiën.

“Van deze geest in de geschiedenis van de geschriften, geven de schrijvers alleen de porties weer van de geschiedenis waarin goddelijke interventie ter sprake kwam. Veel dingen die we graag zouden weten, werden achterwege gelaten. Het is dodelijk voor onze nieuwsgierigheid dat de precieze data van veel gebeurtenissen niet traceerbaar zijn, juist omdat onze aandacht is getrokken door al die wonderen die wel genoemd werden.

De verwoesting van de tempel is vastgesteld door gelijktijdige seculiere getuigenissen in Juli 587 voor christus. Vanaf dit punt stijgen we op naar de geboorte van Abraham. Maar tussen deze beide epochs van de geboorte van Abraham en de verwoesting van de tempel komen 2 onderbrekingen voor in de series van schriftuurlijke data; die het onmogelijk maken om het juiste jaar vast te stellen van de geboorte van Abraham; En dus zijn de voorgaande perioden ook niet duidelijk vast te stellen.”

Deze belangrijke verklaring van Clinton verdient serieuze overweging omdat hij zelf zijn boekje te buiten gaat als hij vaststelt dat de gevangenneming van Zedekia in Juni 587 voor christus was. De astronomische canon van Ptolemeus is voor Clinton wat monumenten zijn voor Professor Sayce. Beide passen de bijbelse chronologie aan, aan hun eigen fundering van hun data.

84. De Septuagint versie van Jeremia

84. De Septuagint versie van Jeremia

De Septuagint vertaling van Jeremia verschilt van inhoud en vorm van de Massoretische Hebreeuwse tekst. Het is een omschrijving in plaats van een versie en een Expositie in plaats van een vertaling.

En daarom wordt deze Septuagint vertaling niet gezien als een goede weergave van de Hebreeuwse tekst maar als een omschrijving die bovendien vaak niet accuraat is. Geen enkele Hebreeuwse Massoreet komt overeen met een tekst waarvan de Septuagint de inhoud aan zou hebben ontleend.

De Septuagint vertaling laat een achtste deel weg van de Hebreeuwse tekst, dus ongeveer 2700 woorden; terwijl deze verandering de onverschilligheid en slordigheid van de vertalers openbaart. Daar waar Hebreeuwse woorden niet begrepen werden, werden ze summier vertaald in het Grieks.

83. Jeremia, volgorde van de profetieën

83, Jeremia, volgorde van de profetieën   >>>

82. De formule van profetische spreektrant

82. De formule van profetische spreektrant

Het is duidelijk dat er een herkenbare stijl was waarmee profetieën werden uitgesproken. Deze stijl kunnen we niet zomaar herkennen door de gangbare manier van lezen te hanteren waarbij we bij het begin beginnen en bij het einde van de profetische boeken eindigen.

In Jeremia was de algemene formule “Het woord van de Heer kwam,” of “Aldus sprak de Heer,” of “Het woord dat kwam.”

In Ezekiel is de roeping tot de profeet als mensenzoon (*) en de formule: “het woord van de Heer kwam” wordt vele keren herhaald.

In de kleine profeten is het “Het Woord van de Heer door” of “Hoor het woord dat de Heer heeft gesproken,” of “De last van het woord van de Here.”

In Jesaja hebben de profetische toepassingen 2 verschillende vormen. Ten aanzien van Israèl, beginnen ze de profetische mededeling met “Luister,” of “Wordt wakker,” of “Rijs op” of “Schijn.” Terwijl in het geval van de omringende natiën het een serie van “Lasten” en “Wee’s” (waarschuwingen) was; net als tot Efraïm, (28) en tot de opstandige zonen die naar Egypte afreizen, naar de Assyriërs.

Een illustratief voorbeeld van de bruikbaarheid van deze formule, kijken we naar Jesaja 34 en 35. De meeste commentatoren maken van Hoofdstuk 35 het begin van een nieuwe profetie. Hiermee verduisteren ze het grote thema van de profetie die in Hoofdstuk 34:1 begint met de roep: “Kom dichterbij, jullie volkeren en hoor… en laat de aarde horen.”

De roep is om te getuigen van het oordeel van Jehova over Edom (in H34) wat resulteert in de redding van Israël. (in H.35).

Zodoende heeft de profetie geen onderbreking maar vormt deze één compleet en behapbaar geheel die deze beide grote delen van het thema omvatten.

In H34 hebben we de verwoesting van Edom: wilde beesten vieren de nederlaag van zijn inwoners: dan in H35 krijgen de wildernis en afgelegen plaatsen weer status alsof ze nu ineens in overeenstemming zijn gekomen met het Goddelijke oordeel. De woestijn bloeit nu als de roos (35:1, 2).

Als resultaat hiervan, laat H35 zien dat het volk van Jehova de erfenis van de Edomieten genieten. Niet alleen zijn hun vijanden gegaan, maar de wilde beesten gingen met hen. Zij waren ooit het bewijs van het oordeel dat over hen was gekomen. Het erfdeel is nu heilig; geen wild dier zal er een poot betreden, maar alleen zullen degenen die gered zijn hier toegang tot krijgen (35:8, 9).

Maar alle schoonheid van deze wonderlijke overgang is verloren gegaan als in H35 het begin wordt gemaakt met een nieuwe en andere profetie; en meer: het Hebreeuwse achtervoegsel “voor hen” in 35:1, maakt de zin moeilijk. Moderne vertalers wisten niet wat ze ermee aan moesten en lieten beide woorden “voor hen” dan maar weg.

De 2 hoofdstukken 34 en 35 vormen een veelomvattende boodschap, een zaak die de hele wereld aan gaat: het combineerde een handhaving van de rechtvaardiging van god en een bevestiging van Zijn belofte om Zijn volk Israël te redden met een eeuwigdurende redding.

Een falen om de formule te herkennen in Jesaja’s profetische uitspraken, leidde allereerst tot een verkeerde uitleg van het hoofdstuk en vervolgens tot een onterechte veronachtzaming van het achtervoegsel.

Dit typische geval van verwarring, dat primair het resultaat was van een ongelukkige rangschikking van delen van de beide hoofdstukken 34 en 35, maakt duidelijk hoe belangrijk het is om de individuele profetieën met zorg uit te werken.

(*1)  Buiten het artikel. De uitdrukking “De Mensenzoon” hoort bij Hem Die de 2de man was, de laatste Adam, en de opvolger van de eerste Adam aan wie het beheer van de aarde nu is gegeven. Vergelijk Gen. 1:26, Ps. 8:1, 9; en de verzen 4-6, Heb. 2:8 “nog niet”. Zie bijlage 98.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.